Het komt geregeld voor dat een perceel wordt opgehoogd voordat het wordt bebouwd en er vervolgens een erfafscheiding in de vorm van bijvoorbeeld een schutting wordt geplaatst. Of hiervoor een omgevingsvergunning nodig is hangt af van de hoogte van de erfafscheiding. Maar mag de hoogte worden gemeten vanaf de ophoging of moet dat gebeuren vanaf de oorspronkelijke hoogte? De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft hierover uitspraak gedaan en verwijst naar de nota van toelichting bij het Besluit omgevingsrecht:
"Volgens de nota van toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 139)
leidt het criterium in artikel 1, tweede lid, onder b, van bijlage II
bij het Bor, dat niet bij het verdere verloop van het terrein passende,
ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk buiten
beschouwing moeten blijven, er toe dat gronden niet eerst vrijelijk en
ongelimiteerd opgehoogd kunnen worden, waarna vervolgens vanaf dat
nieuwe peil de hoogtebepaling van het vergunningvrije bouwwerk kan
plaatsvinden. Indien ophogingen of verdiepingen zijn aangebracht die
niet bij het natuurlijk verloop van de grond passen, behoren deze bij
het meten van de hoogte van het bouwwerk buiten beschouwing te worden
gelaten. In dat geval dient te worden gemeten vanaf de oorspronkelijke,
voor de plaatsgevonden ophoging of verdieping aanwezige, als natuurlijk
aan te merken terreinhoogte. Een uitzondering hierop geldt voor
situaties waarin ophogingen of verdiepingen noodzakelijk zijn om het
bouwwerk te kunnen realiseren."
De Afdeling concludeert hieruit:
"Gelet hierop volgt uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van
bijlage II bij het Bor dat uitgangspunt is, dat bij het meten van de
hoogte van een bouwwerk dient te worden gemeten vanaf de oorspronkelijke
als natuurlijk aan te merken terreinhoogte. Bij de beoordeling of een
ophoging past bij het verloop van het terrein dienen niet alleen het
desbetreffende perceel, maar ook de omliggende percelen te worden
betrokken. Uit het kaartmateriaal en de foto’s blijkt dat na de ophoging
het perceel aan de achterzijde een gelijke hoogte heeft als de begane
grondvloer van de woning, die daarop staat. Uit deze informatie blijkt
voorts dat voor dat het perceel werd opgehoogd, het perceel aan de
achterzijde, evenals de omliggende percelen, die niet zijn opgehoogd,
naar beneden afliep vanaf de straatzijde naar de achterzijde. Gelet
hierop past de ophoging van het perceel niet bij het natuurlijk verloop
van het terrein. Voorts was de ophoging van het perceel niet
noodzakelijk voor het realiseren van de erfafscheiding."
In dit geval betekende dit dat de erfafscheiding hoger was dan 2 meter en een omgevingsvergunning nodig was.
Tip: hou er rekening mee bij het ophogen van een perceel, dat er voor de schutting een omgevingsvergunning nodig kan zijn. Vooral als de buren hun perceel niet hebben opgehoogd. Meet de hoogte dan vanaf de oorspronkelijke terreinhoogte en niet vanaf de ophoging.
Bron: ABRvS 7 mei 2014
Blog
maandag 12 mei 2014
maandag 5 mei 2014
Woonboot is een bouwwerk, geen verbouwingsvergunning maar een omgevingsvergunning vereist
Ook een woonboot die wel aan de kade maar niet aan de bodem is verbonden is een bouwwerk, zodat voor een verbouwing een omgevingsvergunning vereist is. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald:
"De vraag of een object als [de woonboot] als bouwwerk is te kwalificeren, moet, gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, niet alleen worden bezien aan de hand van de wijze waarop het object met de grond is verbonden, maar ook aan de hand van de aard en hoedanigheid van het object, alsmede het gebruik dat ervan wordt gemaakt. De omstandigheden dat [de woonboot] binnen een tijd van ongeveer vijftien minuten kan worden losgekoppeld van de kade, dat de afhouder zou kunnen worden vervangen door stootboeien en dat [de woonboot] volgens het college relatief eenvoudig te verplaatsen is, zijn onvoldoende voor het oordeel dat [de woonboot] geen bouwwerk is."
De Afdeling oordeelt dat niet bepalend is hoe de woonboot fysiek aan de kade is verbonden, maar dat doorslaggevend is dat de woonboot is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren.
In dit geval gaat het om een woonboot die, behalve tijdens periodiek onderhoud of een verbouwing, sinds 1954 op dezelfde locatie ligt. De woonboot is van origine een zeilboot die niet meer zelfstandig kan varen, omdat de zeilen vanwege de op de woonboot gerealiseerde opbouw niet mogelijk is en geen motor aanwezig is.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 een verbouwingsvergunning verleend voor de verbouwing van de woonboot. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van deze verordening is een woonboot gedefinieerd als een vaartuig (…), niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.
Nu de woonboot moet worden aangemerkt als een bouwwerk is voor de verbouwing een omgevingsvergunning vereist in plaats van een verbouwingsvergunning. Het college had daarom de aanvraag om een verbouwingsvergunning moeten afwijzen.
Bron: ABRvS 16 april 2014
"De vraag of een object als [de woonboot] als bouwwerk is te kwalificeren, moet, gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, niet alleen worden bezien aan de hand van de wijze waarop het object met de grond is verbonden, maar ook aan de hand van de aard en hoedanigheid van het object, alsmede het gebruik dat ervan wordt gemaakt. De omstandigheden dat [de woonboot] binnen een tijd van ongeveer vijftien minuten kan worden losgekoppeld van de kade, dat de afhouder zou kunnen worden vervangen door stootboeien en dat [de woonboot] volgens het college relatief eenvoudig te verplaatsen is, zijn onvoldoende voor het oordeel dat [de woonboot] geen bouwwerk is."
De Afdeling oordeelt dat niet bepalend is hoe de woonboot fysiek aan de kade is verbonden, maar dat doorslaggevend is dat de woonboot is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren.
In dit geval gaat het om een woonboot die, behalve tijdens periodiek onderhoud of een verbouwing, sinds 1954 op dezelfde locatie ligt. De woonboot is van origine een zeilboot die niet meer zelfstandig kan varen, omdat de zeilen vanwege de op de woonboot gerealiseerde opbouw niet mogelijk is en geen motor aanwezig is.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 een verbouwingsvergunning verleend voor de verbouwing van de woonboot. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van deze verordening is een woonboot gedefinieerd als een vaartuig (…), niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.
Nu de woonboot moet worden aangemerkt als een bouwwerk is voor de verbouwing een omgevingsvergunning vereist in plaats van een verbouwingsvergunning. Het college had daarom de aanvraag om een verbouwingsvergunning moeten afwijzen.
Bron: ABRvS 16 april 2014
Abonneren op:
Posts (Atom)